Een vijver is een zelfstandig ecosysteem waarin bacteriën biologische afvalstoffen (dood organisch materiaal, zoals rottende plantendelen, afgevallen bladeren van bomen, uitwerpselen van vissen en andere waterdieren, dode diertjes, overschotten van visvoer,..) omzetten in kooldioxide en voedingsstoffen (o.a. nitraat, ammonium en fosfaat) voor waterplanten.
De onderwaterplanten geven op hun beurt zuurstof af aan het water, die ten goede komt aan de waterfauna.
In het begin functioneert het ecosysteem in de vijver nog niet optimaal, m.a.w. er is niet meteen een evenwicht. De vijver bevat in het begin nog niet genoeg micro-organismen om het water te zuiveren (nog geen optimale bacteriewerking in de filters, of bevat meer voedingsstoffen dan voldoende ontwikkelde planten die dat voedsel kunnen opnemen, en planten die voor schaduw op het water zorgen, waardoor dit koeler blijft, en algen ontmoedigd worden.
Algen (of wieren) zijn eencellige of meercellige organismen die lichtenergie via fotosynthese gebruiken om voedingsstoffen (koolhydraten) uit het water op te nemen. Daardoor gaan ze groeien, tot de cellen zich in tweeën delen en elk een eigen leven gaan leiden.
In het geval van zoet water spreekt men van algen, bij zout water heeft men het over wieren of zeewieren. Algen hebben geen wortels, en halen hun voedingsstoffen dus rechtstreeks uit het water, terwijl veel waterplanten via hun wortels eveneens voedingsstoffen kunnen opnemen uit de waterbodem.
Algen ontstaan door een te hoog gehalte aan voedingsstoffen (vooral nitraten en fosfaten) in het water van de vijver, meer bepaald wanneer er nog niet genoeg waterplanten zijn die deze voeding omzetten in bladgroen, of wanneer de plantengroei stagneert.
De vijverbacteriën worden actief vanaf ± 12°C, maar algen beginnen al te groeien en zich te vermenigvuldigen bij 6 à 8 °C. Als er op dat ogenblik niet genoeg zuurstof- en andere planten de afvalstoffen die door de bacteriën zijn omgevormd tot nitraten en fosfaten, kunnen opnemen en gebruiken voor hun eigen opbouw, zullen de algen die taak overnemen.
Algenvorming wordt in de hand gewerkt door :
veel zonlicht en warmte
te weinig zuurstofplanten in de vijver
te vroeg, en te veel uitgezette vissen (te veel uitwerpselen → te veel voedingsstoffen)
te veel organisch materiaal (afgestorven plantendelen, visvoer, bladeren van nabije bomen) in het water
een slechte bacteriologische huishouding.
Vijverliefhebbers kunnen worden geconfronteerd met zweefalgen - ook planktonische algen genoemd), microscopische algen die het water groen kleuren (‘groene soep’) - en draadalgen - macroscopische algen die lange, groene slierten vormen die zich aan de bodem, wanden, plantmanden, waterplanten, … hechten.
Zweefalgen
Wanneer de vijverbacteriën de afvalstoffen niet meer kunnen verwerken, en het water dus een teveel aan voedingsstoffen bevat, kan het vijverwater door ‘algenbloei’ groen en troebel worden (eutrofiëring van het water). Daarvoor zijn zweefalgen verantwoordelijk.
Troebel water, met al dan niet zweefalgen, is een biotoop die wel op prijs wordt gesteld door bepaalde vissen, zoals karpers en meervallen. Ze hebben er ook geen concurrentie van roofvissen – oogjagers -, die in troebel water niets kunnen zien….
Ook vijvers die in de volle zon liggen, geven risico op algenbloei. Door ± 1/3 van het wateroppervlak te bedekken met drijvende planten, zoals kroosvaren, waterhyacint, kikkerbeet, watersla, vlotvaren of waternoot, kan worden voorkomen dat te veel zonlicht het water bereikt.
Draadalgen
Draadalgen komen van nature in elke vijver voor. Op de bodem en de wanden van onze vijver vormen draadalgen een groen tapijt, maar het water blijft zo helder, dat we meestal tot op de bodem kunnen kijken. Dat wijst dus niet op een slecht vijvermilieu, maar wel op het feit dat alle scheikundige verhoudingen van het water in orde zijn, dat alle biologische en chemische processen in evenwicht zijn.
Die draadalgen zijn, onder invloed van het zonlicht, naast andere waterplanten de grootste zuurstofleveranciers. Het zijn ook planten die voedsel maken door fotosynthese, overdag zuurstof uitademen en ’s nachts opnemen. Zolang ze onder water groen zijn, is de zuurgraad (pH) van de vijver goed.
Zolang de draadalgen in evenwicht zijn met andere planten en dieren in de vijver, de andere zuurstofplanten niet verdringen en geen licht- en zuurstofgebrek veroorzaken, en niet in de buurt komen van de filterpomp, zijn het biologisch evenwicht in de vijver, de gezondheid van planten en vissen, en de werking van de pomp niet in gevaar.
Om problemen zoveel mogelijk te voorkomen, worden bereikbare draadalgen regelmatig met de hand, een schepnet of een kunststof bladhark verwijderd.
De draadalgen worden vooral beconcurreerd door de bacteriën die in de filter optimale levenskansen krijgen, door de zuurstofplanten en door de planten in de moerasfilter, die de fosfaten uit het water halen door middel van hun wortels. Daardoor daalt het voedingsstofgehalte en wordt de algengroei beperkt.
Naast belangrijkste producent van zuurstof/stikstof vervullen draadalgen eveneens een belangrijke rol bij de zelfreiniging van het water en bieden ze voedsel en schuilgelegenheid voor allerlei jonge waterbewoners zoals visjes, en afzetgebied voor kuit.
Voor de algenbeheersing gebruiken we hoe dan ook nooit chemische producten. Die zouden afstervende draadalgen naar de bodem doen zinken, waar een ontbindingsproces op gang zou komen, waarbij aan het vijverwater veel zuurstof zou worden onttrokken en het water zuurder zou worden (lagere pH-waarde). Daardoor zouden niet alleen de planten, maar ook de waterdieren problemen krijgen.
Sommige algiciden doden overigens ook nuttige bacteriën en ongewervelden, zoals slakken, kikkervisjes, insecten,… en zijn ook niet gezond voor vissen: ze bevatten vaak kopersulfaat en veroorzaken een stijging van het ammoniakgehalte; ze verstoren dus het biologisch evenwicht.
Het water verversen is ook geen goede oplossing. Het leidingwater bevat veel voedingsstoffen, en een toevoer van vers water zou extra voedingsstoffen in de vijver brengen.
Als ‘tovermiddeltje’ tegen algengroei wordt het gebruik van zout afgeraden, omdat het nefast is voor de kleine waterdiertjes die een belangrijke rol spelen in de voedselketen. Bovendien heeft zout een nadelig effect op de kieuwen van de vissen, en de slijmlaag op hun huid.