Het houden van vissen is voor ons een bewuste keuze. Vissen voegen een extra dimensie toe aan de vijver, brengen leven in de brouwerij en geven kleur aan het water.
Kois (Cyprinus carpio) vinden wij voor onze vijver niet geschikt. Koikarpers en planten lijken ons namelijk geen goede combinatie, want deze vissen vreten aan zuurstofplanten en wroeten andere waterplanten los, wat de waterkwaliteit niet ten goede komt. Bovendien zou onze vijver voor kois niet diep genoeg zijn (liefst min. 1,5 m) en zou een grotere filtercapaciteit noodzakelijk zijn, omdat deze vissen veel afval produceren.
Steuren (Acipenser soorten) horen evenmin thuis in een gewone tuinvijver. Een geschikte biotoop voor deze weliswaar indrukwekkende, traag zwemmende, op haaien gelijkende en snel groeiende, donker getinte vissen met een hoge aaibaarheidsfactor is een diepe en heldere vijver met stromend en zuurstofrijk water en weinig begroeiing, waar ze dan het best samen met kois worden gehouden.
Inheemse vissoorten horen dan weer eerder thuis in een natuurlijke vijver, waar ze kunnen leven van wat de vijver voor hen aan voedsel produceert. In aanmerking daarvoor komen o.a. stekelbaarsjes, vetjes (Leucaspius delineatus), alvers (Albumus albumus), elritsen (Phoxinus phoxinus), en bittervoorns (Rhodeus amarus).
Onze vissenpopulatie bestaat uit:
goudvissen (Carassius auratus auratus), met kweekvormen zoals Shubunkins (Calico) en Sarasa's of komeetstaarten
windes (Leuciscus idus) : goudwindes (geeloranje), blauwe windes (Leuciscus idus caeruleus): grijsblauw met (donker)blauwe rug, zilverwindes (Leuciscus idus argenteus): zilverachtig, met donkere rug en lichte buik
goudrietvoorns: kweekvorm van de ruis- of rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus)
donkergroene zeelten (Tinca tinca) en goudzeelten (Tinca tinca var. aurata)
riviergrondels (Gobio gobio)
Wat meer bepaald de riviergrondels betreft, worden er regelmatig aangetroffen in de beekloop. Grondels kunnen stroomopwaarts zwemmen, en zelfs een klein waterpeilverschil overbruggen...
De belangrijkste, niet in het water levende vissenrovers waarmee we rekening moeten houden, zijn blauwe (en andere) reigers, en ook ijsvogels (Alcedo atthis).
Aangezien blauwe reigers (Ardea cinerea) bij ons regelmatige, maar geen graag geziene gasten zijn, hebben we rond de hele vijver, op een hoogte van zo'n 15, 30 en 45 cm, en kriskras op minstens 15 cm boven het wateroppervlak, 1,60 mm dikke nylondraden gespannen. Een mirakeloplossing is dit niet, want af en toe blijkt een koppige reiger toch aan de haal te kunnen gaan met een vis... en bovendien oogt zo'n constructie zeker niet mooi!
Ook ijsvogels zijn voor onze vijver te vrezen belagers. De boven de vijver gespannen nylondraden maken het ze wel moeilijker, maar niet onmogelijk, visjes te verschalken en ermee te verdwijnen of ze te verwonden.
Vissen slaan in de zomer eiwitten en vetten op in hun lichaam, zodat ze vóór de winterperiode een reserve aan energie hebben opgebouwd.
Een daling van de omgevingstemperatuur heeft bij vissen eveneens een daling van hun lichaamstemperatuur, en een verminderde stofwisseling tot gevolg. In koud water zullen vissen dan ook weinig actief zijn, weinig energie verbruiken en zo goed als geen voedsel opnemen. Vanaf een watertemperatuur van ± 6 °C (in principe vanaf november) komen ze niet veel meer naar boven.
Op de diepere plaatsen in de vijver blijft de temperatuur tamelijk constant, zodat ze daar in een toestand van rust de winter kunnen doorkomen.
Het observeren van het uitbundige leven rond en in het water is een fascinerende bezigheid. Op warme lente- en zomeravonden is het op het vijverterras, ver weg van alle drukte, zalig ontspannen en genieten ...