In een tuinvijver met vissen kan de kwaliteit van het vijverwater meestal worden afgeleid uit de ontwikkeling van de waterplanten en het gedrag van de vissen. Zo komt krabbenscheer bijvoorbeeld met zijn bladeren boven het water uit in een alkalisch milieu (pH > 7). In een zuur milieu blijven ze eronder.
Vissen die naar lucht komen happen wijst op een zuurstoftekort in het water, of op een te hoog ammoniakgehalte. Gestresseerde vissen houden hun vinnen tegen hun lichaam, en nerveuze vissen hebben hoogstwaarschijnlijk last van een te hoge nitraatconcentratie, lusteloze vissen met bruine of rode kieuwen zou een gevolg kunnen zijn van te veel nitrieten.
De belangrijkste waterwaarden op basis waarvan de kwaliteit van het vijverwater enigszins objectief kan worden bepaald, zijn de gezamenlijke waterhardheid (GH), de zuurgraad (pH) en de carbonaathardheid (KH). Deze drie waarden mogen echter nooit los van elkaar worden beschouwd.
De waterwaarden kunnen schommelen. Dat heeft te maken hebben met de temperatuur, neerslag, enz. Bij één of twee waarden verschil hoeft niet te worden ingegrepen.
Een eventueel noodzakelijke verbetering van de waterwaarden wordt verricht in het voorjaar en eventueel in de loop van het groeiseizoen, nooit in de winter.
De gezamenlijke (totale) hardheid ) (naar het Duits ‘Gesamthärte’) van het water wordt doorgaans uitgedrukt in Duitse hardheidsgraden (°dH) en geeft de totale hoeveelheid mineralen (vooral calcium en magnesium), kalium, natrium, fosfor, zwavel, stikstof, koper, ijzer, …) en voedingszouten aan die in het water is opgelost. Dit bepaalt de mate van stabiliteit en evenwicht in de vijver.
Afhankelijk van de erin opgeloste hoeveelheid mineralen kan water ‘zacht’ (< 6°) of ‘hard’(>13° GH) zijn (hoe meer mineralen, hoe ‘harder’).
Mineralen en zouten zijn, samen met o.a. stikstofverbindingen afkomstig van door bacteriën afgebroken dood materiaal, essentieel voor een vijver, omdat ze CO2 in de vijver transporteren en belangrijke bouwstoffen zijn voor de waterplanten.
Voor een vijver met zowel planten als vissen is een GH-waarde van min. 8° tot 12° dH (middelhard) aangewezen, waarbij hoger beter is dan lager.
Bij een GH van minimum 8° GH is de groei van de meeste soorten vijverplanten en de ontwikkeling en activiteit van de micro-organismen en ook de zuurstofvoorziening optimaal. Buiten het groeiseizoen zal meer CO2 worden geproduceerd, maar bij deze waarden zal het teveel aan CO2 worden gebonden door het calcium, zodat geen verzuring of zuurstofgebrek te vrezen is.
Bij een lagere waarde gaan de planten slecht groeien en verslijmen, en krijgen de vissen een bleke kleur.
Een optimale GH-waarde is eveneens van belang voor het skelet van de vissen, die ook heel wat nuttige stoffen in het water via de kieuwen beter opnemen.
Bij een GH van meer dan 10 ontstaat er een explosieve plantengroei, waardoor de hardheidswaarde echter automatisch weer zal zakken, doordat de groeiende planten meer voedsel gaan verbruiken.
Hoe ontstaat te zacht water?
De hardheid van het water loopt terug door de volgende factoren:
tijdens het groeiseizoen onttrekken de waterplanten heel wat mineralen aan het vijverwater;
de invallende neerslag (regen, hagel, sneeuw) is erg zacht, en bevat bovendien geen mineralen;
in een folievijver is er geen wisselwerking met de bodem zoals in de natuur, waar het water bij aanraking met de bodem altijd calcium en magnesium kan opnemen uit het aanwezige calciumcarbonaat (CaCO3).
Zacht water, dat dus weinig of geen mineralen bevat, zal de overtollige koolstofdioxide in het water niet of nauwelijks binden, zodat de vijver geleidelijk verzuurt.
Om de waterhardheid tot een aanvaardbaar peil te verhogen, wordt aangeraden, in het voorjaar koraalalgenkalk (Maërl-kalk) toe te voegen. Maërl-kalk is een natuurlijke zee-algenkalk uit de Atlantische Oceaan. Doordat bij de verwerking ook zeewier mee wordt vermalen, bevat Maërl-kalk veel sporenelementen. Het is een zachte kalk, die bovendien 7 % magnesium bevat. (wordt o.a.gecommercialiseerd door ECOstyle, onder de naam ‘Vijverschoon’.) Het kan wel een aantal maanden duren vooraleer er resultaten zichtbaar zijn.
Een andere mogelijkheid is Neo GH+ (geproduceerd door Aquatic Science, Herstal) (België).
De zuurheid van het water (pH - Potentia Hydrogenii), ook zuurheidsgraad genoemd, is een belangrijke factor voor de plantengroei en de ontwikkeling van de vissen, en bepaalt mee de activiteit (vermeerdering) van de waterzuiverende bacteriën.
Het zuurgehalte van het water wordt beïnvloed door kooldioxide, dat vrijkomt door de ademhaling van planten en dieren, maar ook door o.a. humusstoffen, die ontstaan bij de afbraak van planten. Het zuurgehalte wordt uitgedrukt door de pH-waarde.
Als de pH-waarde tussen 0 en 7 ligt, is het water zuur, en tussen 7 en 14 is het ‘alkalisch’ of ‘basisch’. Het vijverwater is ‘neutraal’ bij een pH-waarde van 7 (ideaal voor vissen).
De pH-waarde vertegenwoordigt geen opgeloste stof in het water, maar wordt gebruikt om na te gaan of het microleven goed functioneert en of de vijver niet verzuurt.
Op de vijverbodem en in de vijverfilter(s) produceren bacteriën onafgebroken koolzuurgas (CO2). Daardoor vergroot de hoeveelheid CO2 in de vijver en daalt de pH (→ zuurder water).
Zuurstofplanten verbruiken alleen overdag CO2. Doordat de planten CO2 opnemen uit het water, gaat de pH weer stijgen. In normale omstandigheden zal de zuurgraad ’s nachts dalen (productie van CO2 door de bacteriën, maar geen opname door de planten) en overdag stijgen (CO2-consumptie > CO2-productie). M.a.w. in een gezonde vijver zal de pH-waarde ’s morgens vroeg iets lager zijn (7 – 8) dan ’s avonds (8 – 9). Dat is een aanwijzing voor een goed functionerend vijverleven, groeiende planten en helder water.
Wanneer de pH ’s morgens en ’s avonds even hoog is (9 of hoger), stagneert de groei van de onderwaterplanten en kan een overmatige algengroei worden vastgesteld.
Een pH tussen 7 en 9 is aanvaardbaar. Bij deze waarden voelen vissen zich uitstekend. Een pH van meer dan 8 is niet erg, voor zover er zich weinig afgestorven organisch materiaal in de vijver bevindt, omdat er dan weinig ammoniak in aanwezig zal zijn.
Na het groeiseizoen zien we een daling van de pH-waarde, met een stagnerende groei van waterplanten, en algen tot gevolg. Daardoor zal het CO2-gehalte in het water geleidelijk toenemen.
Als de GH-waarde hoog genoeg is, zal het teveel aan CO2 zich binden tot carbonaat en treedt geen verzuring op. Bij een te lage GH-waarde is er echter onvoldoende calcium om het overtollige CO2 te binden, waardoor het vijvermilieu verzuurt en zuurstofgebrek ontstaat.
Moeras- en oeverplanten nemen kooldioxide (CO2) en zuurstof (O2) op via hun bladeren, wat inhoudt dat deze ‘bovenwaterplanten’ grotendeels ademen via de atmosfeer. Bijgevolg zal de pH van het water minder gaan schommelen dan bij vijvers met veel groeiende onderwaterplanten.
In water met een onstabiele pH, d.w.z. bij een onvoldoende hoge GH en KH, kunnen vissen ziek worden, en variaties buiten voornoemde grenswaarden zijn een bron van stress voor de vissen.
Een lagere waarde dan 6,5 kan de slijmhuid van de vissen aantasten (groter risico op ziekten en parasieten), vermindert de activiteit van de bacteriën en doet de waterplanten verslijmen.
De pH kan op een natuurlijke manier, zij het geleidelijk, worden verhoogd door veel waterpest in het water te brengen.
Een te hoge zuurgraad (9 of hoger) houdt een verhoogd risico op vergiftiging van vissen in, o.m. door opstapeling van ammoniak en nitriet, leidt tot een stagnerende groei van de waterplanten door een gebrek aan CO2 en vaak tot overmatige algengroei door een teveel aan voedingsstoffen. Een te hoge pH kan worden verlaagd door turfbrokken in het water te brengen. De zuurgraad zal een goed peil bereiken als het water hard genoeg is, m.a.w. als de GH- en KH-waarden op een aanvaardbaar niveau liggen.
De KH-waarde, of tijdelijke hardheid (naar het Duits ‘Karbonathärte’), bepaalt de buffercapaciteit - het zuurbindend vermogen - van de vijver. Die buffercapaciteit moet groot genoeg zijn om de schommelingen van de zuurgraad op te vangen. Carbonaat is een chemische verbinding van calcium (Ca) en/of magnesium (Mg) met kooldioxide (CO2) resp. koolzuur (H2CO3).
CO2 is nodig voor de groei van zuurstofplanten. In een gezonde vijver wordt voldoende CO2 geproduceerd door de bacteriën, waarvan er echter nog relatief weinig voorkomen in een nieuwe vijver, zodat daar in de opstartfase te weinig CO2 kan zitten.
Doordat carbonaat koolzuurgas kan binden, wordt een voorraad koolzuurgas in het water opgebouwd, wat essentieel is voor de groei van de waterplanten.
Als er een overschot is van koolstofdioxide, kan verzuring van het vijverwater optreden, waardoor de zuurstofplanten afsterven. Het komt er dus op aan, de KH op peil te houden.
Een goede KH ligt tussen de 6 en 10 à 12 ° DH, ideaal is ± 8 dH. De waterplanten vergen een min KH-waarde van 5; bij lagere waarden gaan ze verslijmingsverschijnselen vertonen.
In een nieuwe of stagnerende vijver kan het nodig zijn, de carbonaathardheid te verhogen. Een te lage KH kan worden gecorrigeerd met koraalalgenkalk. Een te hoge KH, hoewel eerder zeldzaam, wordt verlaagd door turbulentie in het water te brengen.